Ingeperkt
gebruik van GGO's en pathogenen - FAQ R1: Mag er in laboratoria bureauruimte voorzien worden? Mogen het labogedeelte en het afdministratief gedeelte in open verbinding met elkaar staan? De beginselen van goede microbiologische praktijk bepalen dat de blootstelling van de werkplek en het milieu aan pathogenen tot een minimum moet beperkt blijven. Dit verklaart ondermeer waarom een laboratorium van inperkingsniveau 2 een voorbehouden toegang heeft, een zelfsluitende toegangsdeur (bv. deur met deurveer), de ramen gesloten blijven tijdens de manipulaties en het personeel beschermende kledij (labojas) draagt die in de kleedkamer gescheiden blijft van de stadskledij. Dit betekent ook dat de lokalen waar enkel bureauwerk gebeurt fysisch gescheiden zijn van het laboratorium waar de manipulaties gebeuren, dus dat de kantoorruimte niet in een open verbinding staat met het labo. maar dat een afscheiding voorzien is tussen het labogedeelte en het administratief gedeelte ( bv. langs weerszijden van een gang). Om dezelfde reden is het aangeraden dat er zich geen bureau's binnen het laboratorium bevinden. - FAQ R2 : Aan welke inperkingsmaatregelen moet een laboratorium voldoen waarin een beperkt aantal muizen zijn gehuisvest? Moet dit volgens de inperkingsvoorwaarden van de labo's ingericht worden of volgens deze van een animalarium? In bepaalde gevallen kan in een labozone een lokaal voorzien worden waar kleine proefdieren zoals muizen gehouden worden: in dat geval zijn naast de inperkingsmaatregelen voor een laboratorium (L) uiteraard ook een aantal pertinente maatregelen van een animalarium (A) toe te passen, zoals bv. een kijkvenster in de deur, en maatregelen om te verhinderen dat de muizen uit het lokaal ontsnappen zoals een drempel of tussenschot voor de deur. - FAQ R3 : Moeten bijzondere bioveiligheidsmaatregelen worden toegepast voor de flowcytometrische analyse en/of het flowcytometrisch sorteren van stalen die genetisch gemodificeerde en/of pathogene organismen bevatten? Bioveiligheidsmaatregelen zouden moeten worden nageleefd in routine- of onderzoekslaboratoria waar gebruik wordt gemaakt van een flowcytometer (FCM), hoofdzakelijk wanneer infectieus materiaal of niet gefixeerd materiaal gemanipuleerd wordt en geanalyseerd en/of gesorteerd. Het biologisch risico kan voortkomen uit de manipulatie van een staal of meer bepaald uit aerosols en/of druppels gegenereerd door de flux. Biologische stalen kunnen pathogene organismen bevatten (accidenteel of niet). De gebuikers van een FCM kunnen worden blootgesteld aan een biologisch risico tijdens een accidentele inoculatie of bij blootstelling aan druppels en/of aerosols (contacten, inhalatie). Het uitrustingsmateriaal voor celsortering is voorzien van apparatuur dat de vorming van micro-druppels toelaat, deze techniek kan tot de vorming van aerosols leiden. Mechanische defecten (lucht in het dynamisch fluxsysteem of verstopping van de buisjes) kunnen de vorming van aerosols aanzienlijk verhogen. Daarom dient het (potentieel) infectieus, biologisch materiaal te worden gesorteerd volgens gepaste inperkingsmaatregelen. De FCM zou bijvoorbeeld moeten voorzien zijn van een inperkingsmodule teneinde de druppeltjes en de gegenereerde aerosols in te perken tijdens de sortering. Dit type risico wordt versterkt indien het cytometrie gebeuren gecentraliseerd wordt, de gebruiker is niet noodzakelijk op de hoogte van de bijzonderheden met betrekking tot het gemanipuleerd biologisch materiaal. De gebruiker zou over een bioveiligheidsfiche moeten beschikken die een beschrijving geeft van het gemanipuleerd biologisch materiaal. In het algemeen is het belangrijk om over procedures te beschikken met als doel de aerosols in te perken, het biologisch (besmet) afval te beheren ('waste' na analyse of sortering) en het apparatuur te onderhouden. Meer gedetailleerde informatie (in het Engels) aangaande bioveiligheidsaanbevelingen voor flowcytometrie is beschikbaar. - FAQ R4: In de referentielijsten van de micro-organismen zijn organismen vermeld waarvoor het maximaal biologisch risico voor de mens 2 is en voor dieren 3. Moeten bij het bepalen van de inperkingsmaatregelen rekening gehouden worden met het risico voor het dier of voor de mens? Het toe te passen inperkingsniveau is het gevolg van een geval per geval risico-analyse die rekening houdt met het type organisme en de aard van de manipulaties: als er met het dierpathogeen enkel diagnostiek of onderzoek op kleine schaal gebeurt in een laboratorium, wordt een inperkingsniveau voor een laboratorium (L) toegepast met eventueel specifieke maatregelen gelinkt aan de aard van het pathogeen zelf, dus niet noodzakelijk een L3. Anderzijds kan het economisch impact van een dierpathogeen vereisen dat de activiteit uitgevoerd wordt in een L3 laboratorium, alhoewel het bv. geen enkel risico betekent voor de mens, zoals het geval is met het varkenspestvirus of het mond- en klauwzeervirus. Indien er met dit pathogeen van risicoklasse 3 infectieproeven op dieren gebeuren zal dit plaatsvinden in het animalarium (A) en zijn de inperkingsmaatregelen vereist voor het animalarium, opnieuw gelinkt aan de karakteristieken van het pathogeen en zijn verspreidingswijze, dus ook niet automatisch een A3. - FAQ R5 : Een laboratorium voor snelle detectie van BSE krijgt een andere functie. Wat moet er gebeuren met een veiligheidsuitrusting zoals een microbiologische veiligheidswerkkast (MVK)? Indien de MVK wordt verhuisd naar een ander lokaal moet deze gedesinfecteerd en verpakt worden zoals gevaarlijk afval, in een dubbele verpakking bestemd voor infectieus biologisch afval. De buitenste afvalzak moet ontsmet worden. Na installatie in het nieuwe lokaal moet de MVK opnieuw gevalideerd worden. In geen geval mag de apparatuur bestemd voor snelle detectie van BSE gebruikt worden voor andere doeleinden. Het lokaal zelf moet gedecontamineerd worden. Dit is niet mogelijk met formaldehyde vermits dit de resistentie nog doet toenemen: als alternatief kunnen chemische methodes gebruikt worden beschreven in de "guidelines" van de WGO (zie hieronder). Alvorens een MVK te verwijderen moet deze eerst gedecontamineerd en dan ontmanteld worden, dubbel verpakt zoals hierboven beschreven en uiteindelijk afgevoerd worden door een erkende firma voor verbranding. Voor een beschrijving van de specifieke inactivatiemethodes voor prionen, zie:
- FAQ R6: Wat zijn de vereisten met betrekking tot ventilatie in een laboratorium van inperkingsniveau L2-Q waar fytopathogene quarantaine organismen worden gemanipuleerd? De regionale wetgeving ingeperkt gebruik van GGO's en/of pathogene vereist dat er negatieve luchtdruk moet zijn in de "manipulatieruimte" t.o.v. de omliggende zone's. Daarvoor bestaan er twee mogelijkheden:
Indien echter de gebruikte quarantaine organismen niet overdraagbaar zijn via de lucht (bv. nematoden die zich via de grond verspreiden) kan een afwijking op deze maatregel gevraagd worden. Meer gedetailleerde informatie over Negatieve luchtdruk bij laboratoria is beschikbaar: PDF 2,1 MB - FAQ R7: Stel, de manipulaties met betrekking tot de primo-identificatie van bacteriën van het Mycobacterium tuberculosis complex gebeuren niet in een gescheiden lokaal maar wel in een aparte zone van een L2 lokaal met bijkomende maatregelen waar ook opsporingen en identificaties worden uitgevoerd van andere pathogene micro-organismen. Welke (bioveiligheids)apparatuur dient specifiek voorbehouden te blijven voor de manipulaties met betrekking tot de primo-identificatie van bacteriën van het M. tuberculosis complex ? Microbiologische veiligheidswerkkast: Alle open manipulaties met betrekking tot de primo-identificatie van bacteriën van het M. tuberculosis complex dienen onder een microbiologische veiligheidswerkkast (MVK) klasse I of II uitgevoerd te worden die bij voorkeur specifiek voorbehouden blijft voor deze primo-identificatie. Indien dit niet mogelijk is, kan de MVK voor andere doeleinden worden gebruikt op voorwaarde dat een duidelijke scheiding in tijd wordt nageleefd en een aantal werkpraktijken strikt worden nageleefd :
Centrifuge: Voor de primo-identificatie van bacteriën van het M. tuberculosis complex is een centrifuge vereist met een rotor of met centrifugeerbuishouders die hermetisch afgesloten kunnen worden (de zogenaamde "safety cups"). De centrifugeerbuizen zijn hermetisch afsluitbaar en voor éénmalig gebruik. Centrifugeerbuishouders of de rotor mag enkel worden geopend, gevuld en afgesloten onder de MVK klasse I of II. Door het gebruik van deze centrifugeerbuishouders of van een aparte rotor worden maatregelen getroffen om te voorkomen dat de centrifuge zou besmet geraken bij het accidenteel breken van een centrifugebuis. De centrifuge dient bij voorkeur specifiek voorbehouden te blijven voor de manipulaties met betrekking tot de primo-identificatie van bacteriën van het Mycobacterium tuberculosis complex. wanneer dit niet mogelijk is, kan de centrifuge voor andere doeleinden gebruikt worden op voorwaarde dat de rotor of de centrifugeerbuishouders specifiek voorbehouden blijven voor de manipulaties met betrekking tot de primo-identificatie van Mycobacterium tuberculosis complex.
Autoclaaf: Er moet een autoclaaf beschikbaar zijn in het lokaal of in de nabijheid van het lokaal ingeval het biologisch afval en/of biologische residu’s geïnactiveerd wordt door stoomsterilisatie maar deze dient niet specifiek voorbehouden te blijven voor het biologisch besmet afval afkomstig van de primo-identificatie van M. tuberculosis complex. Vortex: Deze dient binnen de MVK te blijven en gedesinfecteerd te worden na elk gebruik. Omwille van de vrij hoge resistentie van mycobacteriën tegen klassieke desinfectantia dient een desinfectantia te worden gekozen met een goede tuberculocidale werking.
|